Risk Factory

Ze stappen met veel bravoure in de bus, de kinderen van groep 7 en 8. Er worden plekjes gezocht, stoere praatjes opgehangen, en het gelach en gekwebbel is niet van de lucht tijdens de rit naar Enschede.

Als we echter op de plaats van bestemming aankomen en de kinderen vrolijk en stoeiend de bus uitrollen en een kamer ingedreven worden, waar ranja en uitleg op ze wacht, worden ze één voor één toch een beetje stiller, en zie ik hier en daar toch wat spanning komen op de verwachtingsvol rondkijkende snoetjes.

We zijn bij de Risk Factory, waar de kinderen uitleg gaan krijgen over allerhande potentieel gevaarlijke situaties en hoe daar het beste mee kan worden omgegaan.

Zo gaat het onder andere over brandgevaarlijke situaties, zien ze hoe je het beste kan omgaan met een vlam in de pan, moeten ze zich uit een kamer vol rook manouvreren op de meest veilige manier, en maken ze mee hoe dat gaat als je 112 belt, en leren ze wat je dan het beste kan zeggen.

Ze oefenen op computers met een facebook-achtige site en krijgen feedback over de keuzes die ze maken (wie voeg je toe als vriend, aan wie vertel je je naam en adres, en zou je wel zomaar je foto delen?), er is uitleg over hoe zo veilig mogelijk met vuurwerk om te gaan en mogen veters strikken en proberen te schrijven met een paar vingers die afgeplakt zijn, om zo te zien hoe vervelend het is als je te laconiek bent en er wat kwijtraakt door een vuurpijl.

Er is een bus, waarbij ze leren waar de dode hoeken zitten van grote wagens, en ze doen een kwis om te zien of zij verstandige keuzes zouden maken in het verkeer. En ze gaan in gesprek over pesterijen en andere nare dingen die mensen bij elkaar kunnen doen, en hoe je daar alert op kan zijn en misschien zelfs elkaar kan helpen.

Op de terugweg zijn ze een stuk rustiger, duidelijk nog even aan het verwerken wat ze allemaal hebben gezien en geleerd.

Ik grijns eens naar de buschauffeuse. Ze lacht terug. “Zou ik ook bij de nachtbus tussen discotheken moeten doen,” zegt ze, “zo’n rondje Risk Factory! Als het bij kleine kinderen zo kalmerend werkt, dan misschien bij grotere kinderen ook wel!”

Yep, het is herfst

Het is tegenwoordig geen sinecure om van Borne naar Hengelo te komen in de ochtend. Over de kleinste afstamd doe je zo een kwartier. En terwijl ik stapvoets over een rotonde manouvreer bedenk ik me dat het toch wel op veel vlakken beter zou zijn om meer te gaan fietsen. Tot ik me realiseer hoe herfstig het weer is. En hoe uit de monden van de fietsers naast me kleine wolkjes opstijgen. En hoe heel erg koukleumerig ik ben. En tuf dan nog maar even rustig door.

We zijn zo vroeg op pad, omdat zij naar de orthodontist moet. Gewoon voor controle, dus dat is een beetje wroeten en wrikken en een nieuwe afspraak maken en binnen een paar minuten zijn we al weer buiten.

De orthodontist is gelegen in een wijk waar ik al sinds ik jong ben stiekem een beetje verliefd op ben. Met van die hoge bomen langs lange lanen. In de herfst helemaal een plaatje natuurlijk. Maar veel tijd om er nu foto’s van te schieten heb ik nu niet, want er moet er eentje terug naar school voor een proefwerk Grieks. Binnenkort toch een keertje doen, hier rondwandelen, mét camera, en zonder klok.

De rest van de dag deel ik met onze jongste meneer, die vrij is vandaag, in verband met de staking van zijn leerkrachten. Wat betekent dat hij, tot hij in de middag naar zijn hockeytraining moet, doorbrengt in zijn joggingbroek, gezellig met poes op schoot, spelletjes spelend, soms met een ballon schietend (dat dan weer niet met poes op schoot, die vindt die ballon maar een gevaarlijk en zeer te wantrouwen onding) en honderuit kletsend.

Oh en koekjes bakkend. Want dat past ook wel bij zo’n dag.

Binnen is het warm en fijn

Het is nog donker bij het wakker worden. Zij is er altijd als eerste uit, en als ik me uitrek en opzij kijk zie ik de zachte gloed van de lamp van de overloop, en weet ik dat ze daar kalmpjes haar tas staat in te pakken en haar haren te borstelen.

We zijn een aardig geoliede machine zo in de ochtend. Hij zet thee, ik stop kleine lekkernijtjes in de lunchbakjes, die zij zelf verder met boterhammen vullen. Er wordt wat gebladerd in de krant, of gepuzzeld, iemand vult het kattenvoer aan, ik maak mijn to do lijstje voor de dag en overhoor nog voor de laatste keer die paar lastige Franse of Griekse woordjes, die er goed in blijken te zitten overigen, dankzij de volledig belachelijke ezelsbruggetjes die we gisteravond samen verzonnen.

Een klein uurtje later ben ik als eerste bij de Twentse Wens Ambulance. Dat heeft toch altijd wat, zo’n verlaten ruimte waar even later een drukte van jewelste zal zijn. Ik kan me dat ook nog herinneren van school, op van die ouderavonden waarbij we mochten helpen, en waarbij de gangen, nu stil na alle drukte van de dag ervoor, iets mysterieus uitstraalden, nu we ze helemaal alleen voor onszelf hadden.

Ik doe lampen aan en begin met koffie zetten en binnen enkele minuten beginnen de anderen binnen te druppelen. Zo ook een paar kinderen, die vragen komen stellen en foto’s maken voor een opdracht voor school. Ik bied aan om een foto van ze te maken, en trots stellen ze zich op voor de ambulance, de gekregen beertjes in hun handen geklemd.

De middag staat in het teken van nog meer overhoren (de beide oudsten worden ondergedompeld in een proefwerkenzee), sinaasappels snoepen, wat computerwerk voor mij en de eerst ongelukkig kijkende, en vervolgens dankbare ogen van die dame hierboven, toen ik aanbood om haar een lift te geven naar haar hockeytrainingen, zodat ze niet al doorweekt was voordat ze uberhaupt het veld op was gekomen.

“Het is echt binnen-blijf-weer”, verzucht de jongste. En constateert dan blij dat hij de volgende dag vrij is in verband met de scholen-staking. Want school met je vriendjes is best gezellig, maar lekker thuis, zeker als het weer zo druilerig en koud is, heeft tóch nog wel de voorkeur.

Gelukkig maar 🙂

Latijn huiswerk

Betekenissen van woorden opzoeken. Naamvallen bepalen. Of althans een poging doen. En dan van het geheel mooie zinnen brouwen.

Latijn is zo makkelijk nog niet.

Gelukkig is er dan een grote broer die wel helpen wil. Die met zijn lange lijf bij je op je bureaustoel kruipt en ernstig met je mee puzzelt, tot er zowaar wat zinnigs op papier staat.

Weekenden (werkwoord)

Dit lange weekend voelt als een zichzelf steeds herhalende verrassing, omdat we elke weer denken dat het vast al wel zondag moet zijn, maar er dan tóch weer achter komen dat we daar nog niet zijn aangekomen, en dus nog wat heerlijke vrije dagen voor de boeg hebben.

*

Het is zaterdag en we worden lui wakker, met kopjes thee en lezen in bed, heerlijk uitgestrekt of, zoals bij haar, balancerend op een randje, omdat Bob ongemerkt steeds iets verder opschuift, en wij, zoals het keurige menswezens betaamt, in zo’n geval zonder uitzondering beleefd ruimte maken. Iets waar we tegen elkaar over met onze ogen rollen, ons afvragend waarom we dat doen als het toch zo ongemakkelijk ligt, maar de volgende keer schikken we ons weer net zo dienstbaar in deze blijkbaar onafwendbare rolverdeling.

Het is warm langs het hockeyveld. We zijn met z’n allen gekomen om de oudste kampioen te zien worden, maar de jongste twee zijn al snel, na wat gedraal langs de lijn, vertrokken naar een ander veld om daar met wat vriendjes en een bal zelf wat aan te prutsen.

*

Ik draaf wat af en aan met flessen water en voel tussen het juichen door gesprekken met mede ouders en andere personen die, aangezien ik hier niet alleen als moeder, maar ook als bestuurslid sta (nog wel), komen met vragen, opmerkingen of soms opgekropte frustraties. Ik luister daar graag naar, merk alleen elke weer opnieuw hoe beperkt het is wat je als enkel persoon kan doen, en hoe frustrerend dat vaak voelt, en hoe issues eigenlijk meestal bovenal liggen in de communicatie tussen personen. Wat dat betreft overweeg ik wel eens de #doeslief slogan op megagrote stickers te drukken en de hele wereld ermee te beplakken.

*

Ze winnen met gemak overigens, de jongens, iets dat al de hele competitie het geval is, en dat er voor zorgt dat ze maar met matig enthousiasme de felicitaties omtrent het kampioenschap over zich heen laten komen. Typisch is dat, hoe dingen toch meer als een prestatie voelen als je er in ieder geval een beetje voor hebt moeten strijden…

Het wordt langzaam donker. In het laatste restje daglicht schiet ik nog snel een plaatje van een klaproos. Enkele dagen geleden was ik nog met de middelste op zoek naar klaprozen en konden we ze nergens vinden. Nu lijkt het alsof iemand er een blik van heeft opengetrokken en zijn ze overal tot bloei gekomen. In de avondbries lijken de papieren blaadjes nerveus te trillen, en ik pas op ze niet aan te raken, bang om ze met een onvoorzichtige beweging te beschadigen.

*

De terrasjes zitten vol op deze zoele avond. Het geroezemoes en getinkel van glazen wordt af en toe ruw verstoord door de opgewonden kreten vanuit een televisiescherm, waarop te zien is hoe Liverpool de Champions League wint.

*

Ik dans achteruit, mijn telefoon in mijn hand voor een foto van de klokkentoren, en bots bijna tegen een vriendelijke oudere meneer op, die blijkbaar een soortgelijk plaatje wil maken, met zijn camera al in de aanslag. Hij laat me trots wat foto’s zien die hij eerder die avond heeft gemaakt. Als ik hem complimenteer met zijn creaties grinnikt hij wat verlegen. “Ik weet ook niet hoe die camera het doet”, verklapt hij, me duidelijk plezier. “Ik druk alleen maar op het knopje en de rest gaat vanzelf. Grappig he?”

Hij is zijn telefoon kwijt. Het is zondagochtend en we zoeken het hele huis af, en de auto, bellen opa en oma, voor het geval dat hij daar is blijven liggen, en de telefoon zelf, die vast leeg is, want we krijgen direct zijn voicemail. We vinden hem niet, al zal hij vast ergens in de komende dagen opduiken op een onverwachte plek, of juist op een plek waar iedereen van zal zeggen dat ze daar gezocht hebben, maar dat hij er niet lag. Zo gaat dat wel vaker.

*

De oudste verdwijnt naar het zwembad, want, zo redeneert hij, met deze warmte is er niets beter dan lekker onderuit liggen op het gras, iets waar ik het wel mee eens ben, dus ik kijk met enige verwondering naar hoe, nadat de middelste is teruggekomen van een slaapfeestje, de jongste twee op straat een fanatiek potje staan te voetballen. Als ze weer binnenkomen hebben ze rode wangen, en sprankelende ogen.

*

We halen perzik yoghurt voor het toetje vanavond, ijsjes voor nu, en een berg fruit voor een salade bij de frietjes straks, om het geheel van deze dag nog de illusie van gezondheid te geven. En omdat het gewoon lekker is natuurlijk. Zomer en fruit. Twee favoriete dingen.

*

Het is avond en ze zijn allemaal weer binnengedruppeld. Tijd voor een laatste spelletje, een koele douche voor het slapengaan en dan een stevige welterusten-knuffel. Morgen start de week weer. Het weekend is voorbij.

Geknipt voor de zomer

Ik ben niet zo goed in nee zeggen. Ja gaat me veel makkelijker af. Ik dacht eerst dat dat te maken had met de angst mensen teleur te stellen, of de neiging mensen blij te maken, maar ik begin me steeds meer te realiseren dat het niet zoveel met anderen te maken heeft, maar bovenal met een soort faalangst in mezelf, het idee dat ik alles moet kunnen, alles moet doen, om te bewijzen dat… ja, wat eigenlijk? Dat ik er mag zijn, denk ik

*

Het is een vrije dag, zo na Hemelvaart, dus we beginnen rustig, ruimen wat op in huis, ik schrijf wat, de kinderen spelen wat, en dan besluiten we naar de kapper te gaan. Het lukt me niet om online een afspraak te maken, maar ze hebben eigenlijk altijd wel plek, dus we gaan er op goed geluk heen. Het blijkt dat er meer mensen waren die dat dachten, waardoor er dit keer nog maar een plekje is voor één persoon. Aangezien de jongste bijna niets meer ziet vanachter zijn gordijn van haren besluiten we dat hij het moet worden. Ik houd hem gezelschap, de oudste twee gaan het dorp in, op zoek naar een cadeautje voor haar vriendinnetje, dat vandaag haar verjaardag viert.

*

Na de kapper strijken we even neer op een terras voor een ijsje. De zon brandt op onze wangen, en ze kijkt me genietend aan. “Nu voelt het echt als zomer”.

Even stil staan

Het blijft toch typisch, hoe wanneer we vroeg op moeten staan het bed zo zalig voelt dat ik denk, en verlang, nog uren door te kunnen slapen. Maar wanneer de mogelijkheid tot uitslapen er is, ik steevast vroeg wakker ben, en met geen mogelijkheid meer kan blijven liggen. En ik hoor het mezelf nog zó zeggen: “Morgen slapen we uit!” Uh huh.

Uiteindelijk is het niet erg natuurlijk, want wat extra dingetjes van to do lijstjes kunnen afvinken is óók prettig, en gezellig samen wat aanrommelen in huis ook, dus we stappen uiteindelijk alsnog met een uitgerust en opgewekt gevoel de auto in, op pad naar opa en oma, met onderweg de gebruikelijke discussies over welke radiozender er geluisterd moet worden, onderbroken door luid meezingen met de nummers die we allemaal leuk vinden, of alleen door ons, oudjes, soms met een portie headbangen erbij, terwijl de achterbank met opgetrokken wenkbrauwen toekijkt (‘Serieus mam?’). Tja…

Als ik in de achteruitkijkspiegel kijk en de gezichten op de achterbank bestudeer ben ik ineens weer jaren terug, net zo, in de auto, op weg naar IJsselmuiden, maar dan met een baby, een peuter en een kleuter, en het altijd aanwezige gevoel volledig opgezogen te worden in dat hele kindergebeuren, met al dat kleine en kwetsbare, en het besef van verantwoordelijkheid daarvoor, dat me soms zo tot in het diepste van mijn zijn beangstigen kon. En zie ze nu eens zitten.

Ik glimlach opzei, en als ik zeg “Kijk ze nou, ze doen het nog steeds allemaal, en nog best aardig ook”, grijnst hij ook, begrijpend, en geven we elkaar een heimelijke high five. Op de achterbank zijn de twee oudsten aan het dollen, de jongste is in slaap gekukeld.

We komen op de snelweg langs velden vol met klaprozen, waarvan ik uiteraard vergeet een foto te maken, en dat herinnert haar eraan dat ze nog met haar herbarium voor school verder moet.

Ze vraagt haar opa of hij wil helpen zoeken, en samen gaan ze op pad, een tas en een schaartje mee, en een app, waarmee zij planten kan determineren, wat hij maar grappig vindt, en echt iets van deze nieuwe generatie.

Ik drentel achter ze aan, mijn telefoon in mijn hand. Ik ben momenteel aan het proberen wat meer met mijn telefoon te fotograferen, omdat ik mijn camera zo zwaar vind, en onhandig om mee te sjouwen, met al die lenzen, Maar ik mis het schieten, het schrijven, het stil staan bij de verschillende gewone en daardoor eigenlijk juist speciale momentjes in het leven. Dus nu probeer ik dit, en ik zie wel waar het me brengt.

Ze verzamelen een schat aan boomblaadjes en kleine plantjes, vermaken zich kostelijk met een kudde eenden die er stug van overtuigd lijkt te zijn dat in dat tasje toch écht brood voor ze moet zitten en dus de achtervolging inzet, en uiteindelijk vinden ze zelfs nog klaprozen. Missie geslaagd.

Weer terug wordt alles zorgvuldig op tafel uitgespreid. Ze schrijft etiketjes, om de namen niet te vergeten, en in een paar oude boeken worden de plantjes liefdevol tussen zachte papiertjes weggestopt, om rustig te drogen.

In de voorkamer klinken gedempt de klanken van het intro van”I would stay” van Krezip, iets dat hij op de piano aan het oefenen is voor school, en dat ik sindsdien met geen mogelijkheid meer uit mijn hoofd krijg.

De avond begint al te vallen, iets dat je haast niet zou zeggen, als je kijkt naar hoeveel licht er nog is, al wordt het al wel wat zachter en warmer als we, na het diner, nog even een paar potjes sjoelen met z’n allen.

“Nog maar een paar weken, en dan is het alweer zomervakantie”. Ze zijn aan het tellen in de auto op de terugweg. Nog een paar weken, vol met schoolreizen, uitwisselingen, proefwerkweken en de hectiek van de afronding van clubs en hockeyteams, druk en gezellig. “Nog maar een paar weken!” De oudste twee vinden dat al best snel komen. De jongste vindt het nog héél lang.

Ik glimlach even, en bedenk me hoe mijn moeder ooit zei dat de tijd steeds sneller gaat, hoe ouder je wordt, en dat ik hem soms best even stil zou willen zetten, die klok, om bepaalde momentjes of dagen nog net wat langer vast te kunnen houden.

Lente in Borne

“Heb je een muntje, mam?” Ze kan het niet laten. Elke keer dat iemand een muntje in het bakje voor het levende standbeeld bij de Oude Kerk gooit, stampt de bisschop (of ‘schijnheilige’, zoals op het bordje staat – in zijn vingers klemt hij ook een zaklantaarn) stevig met zijn staf op de grond en slaakt er een luide kreet bij. Wat ze enorm grappig vindt, maar ook wat eng, waardoor ze even om hem heen cirkelt, waarna ze van een afstandje het muntje in het bakje mikt. Heldin dat ze is.

Het levert haar wel een spekje op, en een knipoog, dingen die je toch niet elke dag krijgt van een bisschop van steen.

Het is lente, jongens, lente! En ook al leek het er aan het begin van het weekend, toen we tussen grote sneeuwvlokken door stonden te kijken naar de hockeywedstrijden van de kinderen – iets waarvan we gezamenlijk besloten dat dát toch wel echt te gortig was, sneeuw, in april, kom óp zeg – nog niet helemaal op, het lente gevoel begint toch stiekem overal doorheen te sijpelen.

Het zit ‘m in de prachtige bloesems die je overal begint te zien, met zware, volle takken over heggen hangend, als om te zorgen dat je er echt niet omheen kan, wat geheel terecht is natuurlijk, want zo iets moois moet ook uitbundig bewonderd worden. Het zit ‘m in het niezen en proesten bij ons thuis, wat erg irritant is, maar ook weer zo heel erg bij deze tijd van het jaar hoort, en in het meer en meer aanwezige, en oh zo zalige steeds warmer wordende zonnetje.

Bij de lente hoort ook ‘Het Beste van Borne’. Onze oudste mag er spelen, op zijn gitaar, in zijn eentje op het podium, wat hij doet met de voor hem zo kenmerkende concentratie, waardoor de rest van de wereld niet lijkt te bestaan, al glundert hij wel even als hij wordt aangekondigd als een heuse ster. We schuifelen in colonne (want poeh, wat een mensen komen hier op af) langs de levende standbeelden – waarbij we ons steeds moeten bedwingen niet even te voelen, want het ziet er zo echt stenig uit, maar we durven het toch niet – en belanden even later in de Oude Kerk, waar het Borns Mannenkoor staat te zingen. Met daarin opa, die we er altijd bovenuit horen, en die, zo wijst mijn jongste me grinnikend, stiekem een I-pad in zijn klassieke map heeft verstopt. Hij ziet het al helemaal voor zich, neem ik aan, hoe opa, voluit Beethoven zingend, een spelletje Candy crush speelt.

Het plan was om daarna een ijsje te gaan halen, maar stiekem hebben we het toch nog wel een beetje koud. Oud Hollandse frieten worden het dan maar, uit een puntzak, die we opsmikkelen in het zonnetje, terwijl we luisteren naar hoe de meneer die curry worst verkoopt vanuit zijn kraampje de sterren van de hemel zingt.

Lente! Ik ben zo blij dat je er bent.

Die winter toch

Ik ben eigenlijk niet zo heel goed in de winter. Begrijp me niet verkeerd, de sneeuw is prachtig, en ik ben gek op de wisseling van de seizoenen – kan dus ook heel content zijn als het kouder wordt en alles extra knus, we ons weer in dekentjes wikkelen en het warme kopje thee nóg lekkerder smaakt – maar iets in mij kan niet zo goed overweg met de combinatie van donker en koud. Ik word daar een beetje somber van, er komt een gewicht aan mijn middel te hangen dat ik niet weet af te schudden en dat, ondanks dat ik het toch heel duidelijk elke keer weer opnieuw vertel dat het niet welkom is, toch ieder jaar weer opduikt, om zich met een triomfantelijk ‘tadaa’, weer in alle onbuigzaamheid aan me vast te ketenen.

Ik dacht nog even dat misschien, door de extra dosis zonneschijn en fijn in Oman, het dit jaar achterwege zou blijven, maar ergens halverwege januari merkte ik ineens hoe ontzettend ik niet wilde opstaan, eigenlijk liefst de hele dag onder de dekens zou blijven, in winterslaap tot de lente weer kwam. Wat natuurlijk niet werkt, met een sliert kinderen hier in huis, maar het zou soms wel heel lekker zijn.

Dus voor mij mag die lente wel komen. En in de tussentijd is het de kunst om toch de lichtpuntjes te vinden. Zoals de langzaam opkomende hyacinth op tafel, de wortels innig verstrengeld in de glazen pot. En hoe mooi valt het licht in de ochtend, als de zon, heel laag achter de gebouwen in de verte, een roze gloed laat vallen over het mistige weilandje van de boer om de hoek, waar in de zomer de lease koeien grazen, maar nu slechts een speeltuin is voor de katten uit de straat.

Ik doe net alsof het al mei is door overal op tafels tulpen te zetten, en maak wandelingetjes in het dorp, over de ronde keitjes en langs warm verlichte ramen, waarachter ook overdag een olijk haardvuurtje brandt. En als dan de zon ineens doorkomt, verandert alles van kleur, lijken de daken extra uitdagend rood, en hef ik mijn gezicht op om elk laatste straaltje te vangen.

Weer thuis maak ik een foto terwijl zij ernstig geconcentreerd met haar huiswerk bezig is, het licht van haar scherm er een klein schilderijtje maakt – “het meisje op een winterse dag” -, tegen de al donker wordende omgeving

En we spelen spelletjes, waarbij hij niet op de foto wil, alleen de details mag ik vastleggen, zoals de achterkant van zijn hoofd als hij leest, of zijn vinger, die een triominos steentje op haar plek schuift. Waarbij ik bedenk dat het uiteindelijk ook juist die details zijn, die haartjes in zijn nek, de kromming van zijn schouders als hij geconcentreerd bezig is, en dat warme, liefdevolle handje, dat zo fijn afwezig mijn wang strelen kan, die het meest zeggen, en waar het toch, uiteindelijk, om gaat.