Wit Sprookje

“Kom je mee naar binnen?” De kinderen staan te drentelen voor de deur. “Ik kom er aan”, zeg ik, “ga maar vast.”

De deur valt achter ze dicht. Om me heen daalt een stilte neer. Al de hele dag zijn de grappen over de sneeuw die maar niet viel, ondanks code geel, niet van de lucht geweest, maar net, juist toen we naar buiten liepen bij muziekles, viel er ineens een donsdeken over het dorp en veranderde alles in een sprookje.

De grillige takken van de krulhazelaar zijn versierd met een glinsterend laagje wit. Over het paadje in de tuin zijn kattenpootjes gestrooid, en zelfs de venijnig prikkende heg lijkt een stuk zachter met haar winterkleedje aan. De koele tinten van de sneeuw in de avond worden verwarmd door de straatlantaarns.

Mooi.

Veertien

“Sssst” Onze jongste kijkt me streng aan als ik net te hard wat bordjes opstapel. “Sorry”, mompel ik, en doe extra mijn best om zachtjes te doen. We zetten vast kopjes thee en dekken de tafel. Er is even stevig overleg nodig over wie waar gaat zitten (en dan vooral over wie naast de jarige job, en wie naast mama mag. We hebben nooit een vaste tafelschikking afgesproken, maar soms bedenk ik me dat dat helemaal zo gek niet zou zijn), maar dan zijn we er toch echt klaar voor.

Cadeautjes in de hand, sluipend naar boven. “Wacht, doen we happy birthday, of lang-zal-die-leven?”. Het wordt de Nederlandse versie – want we wonen in Nederland, duh – en dan knallen we los, al zingend in optocht de slaapkamer in, waar hij, al dan niet gespeeld, verrast nog net kan knipperen en gapen voor hij bedolven wordt onder knuffels.

“Maar wat als het dan allemaal over me heen druipt?”

Het is even later, het ontbijt en het uitpakken van de cadeautjes is achter de rug, en we staan in de keuken, waar hij me wantrouwend aankijkt. “Tja”, ik schokschouder, “dan heb je het dus niet goed stijfgeklopt. Dus als jij zegt dat het écht goed is zo, moet je het ook boven je hoofd op de kop durven houden.”

Ik grinnik even als ik het interne gevecht op zijn gezicht weerspiegeld zie. Maar dan trekt hij toch de stoute schoenen aan en kiept, heel voorzichtig, de kom om boven zijn hoofd. “Wow, het blijft zitten. Kom eens kijken!”, hij roept zijn zusje erbij om het te laten zien, draait daarna echter gauw de kom weer recht, want – je ziet het hem denken – je moet het lot ook weer niet te veel willen tarten.

Het is weer eens zo ver: voor zijn Duitse lessen moet hij de keuken in, om dit keer, na de lebkuchen en de andere koekjes (geen idee meer hoe die heetten) van vorig jaar, een Oostenrijkse sachertorte te bakken, waar hij goedmoedig wat over moppert, want ja, hij – in zoveel aspecten zo heel erg een kind van mij, maar hierin dus totáál anders – lust geen chocolade. Maar dat mocht de pret niet drukken, want er komen deze dag allemaal opa’s en oma’s en andere familieleden op bezoek, aan wie hij de taart vast wel slijten kan. En anders heeft hij altijd zijn moeder nog. Daar ben je voor, als moeder, niet?

Hij slaat zich er manmoedig doorheen. Hakt en roert en prikt en smelt (met nu en dan wat hulp van zijn zusje, die overigens wel gewoon houdt van chocolade, kijk, dat snapt mijn hoofd tenminste) en voila: vlak voordat al het bezoek binnenkomt staat er een prachtige chocoladetaart te stralen in de keuken. Met een al net zo stralende jongeman ernaast. Niet alleen om die taart, hoor, maar vooral omdat het natuurlijk helemaal zijn dag is vandaag.

Want hij is 14 geworden!

14. Ik moet het, geloof ik, nog even een paar keer zeggen, om er aan te wennen. Jeetje. Mijn oudste, de kalme, nadenkende, voorzichtige, gezellige, liefdevolle, zorgzame, verstrooide, grappige grote broer van zijn zusje en broertje. Die jongen, die soms zo heel plots en uitbundig schaterlachen kan, dat je wel móet mee lachen, en die gelukkig nog steeds zo heel fijn met ons allemaal knuffelen wil, die is gewoon 14, en bezig met zijn profielkeuze, aan het nadenken – nu al- over zijn vervolgstudie, voorzichtig aan het kijken naar stages, regelmatig volledig doof omdat hij zo in zijn boek zit, of ja, in zijn spelletje, en hij groeit al bijna boven me uit. Bijna.

Zoals ik al zei. Jeetje. 14. Hij is nu écht een van die grote, slungelige, zwaarstemmige puberjongens.

Maar dan wel de liefste van allemaal.

Rondje Borne

De sneeuw knerpt onder mijn voeten. Lekker geluidje is dat, alleen daarom zou je wat extra rondjes wandelen. Ik stop mijn handen wat dieper in mijn zakken, haal ze er alleen af en toe even uit om een foto te maken, want ook al valt het zo, zonder wind, nog best mee met de kou, na verloop van tijd gaan mijn vingers toch wat protesteren, zo zonder handschoenen, die ik, bijzonder hoe dat logisch lijkt terwijl ik voor de kinderen non stop met sjaals, handschoenen en mutsen sta te zwaaien, vergeten ben.

Vlak voor me schieten wat kinderen, over het muurtje rondom de kerk, roepend naar elkaar langs me heen. Het meisje zwaait naar me, begint dan te glibberen op de gladde keitjes, heeft bijna haar evenwicht weer te pakken, maar belandt dan toch nog pardoes schaterlachend op haar billen.

Achter een van de ramen waar ik langsloop zit iemand verwoed piano te oefenen. Elke keer hetzelfde stukje, met een hapering in de hoogte. Ik kan er het geïrriteerde klakken met de tong zo bij denken, ook al hoor ik het niet, en neem in gedachten mijn pet af voor de volharding als de riedel dan toch weer opnieuw van voren af aan wordt begonnen. Vanaf het einde van de straat komt een postbodemevrouw moeizaam aanfietsen, de wielen al net zo gezellig krakend in de sneeuw als mijn schoenen. Ze kijkt wat moeilijk tijdens het trappen, maar in het voorbijgaand werpt ze me ineens een vrolijk grijns toe, om vervolgens weer geconcentreerd fronsend verder te rijden.

Ik loop een stukje verder, door een straat die duidelijk iets vaker wordt gebruikt, want de sneeuw is zowaar wat verdwenen, langs de vele zorgvuldig geverfde luiken, en wuif eens naar een puber die, met duidelijk gezonde tegenzin – zou het voor straf zijn, of zou hij wat willen verdienen, of is het wellicht onderdeel van zijn takenpakket, opgelegd in het kader van een goede opvoeding door zijn ouders? – besneeuwde takken staat te snoeien in een tuin. Hij reageert met een soort staccato omhoog en omlaag schieten van zijn hoofd, en ik vat het maar op als een “ook hallo”.

Een steegje door, en glibberend over een paadje, en dan houd ik even stil bij het Maria kapelletje, dat al van veraf uitnodigend lijkt te glimlachen met haar warme kaarslicht tussen alle koele wintertinten. Ik kom hier zo af en toe, en kom er eigenlijk nooit iemand tegen, terwijl er toch regelmatig mensen zijn moeten, gezien de vele aangestoken kaarsjes. Maar eigenlijk is dit ook wel juist een plekje waar het past om even alleen te zijn.

Via een klein paadje tussen struiken door, waar ik nog bijna in de sloot beland van schrik door een plots wegspringend konijn, dat zag ik even niet aankomen (op de laatste foto is het dat donkere vlekje heel ver weg links, dat zie je voor geen meter, want daarvoor had ik de lens niet bij me, maar ik kon het tóch niet laten het te delen, want het is gewoon leuk, zo’n konijntje in de sneeuw), kom ik net op tijd weer terug op de parkeerplaats, om een vrolijk kwebbelend jongetje op te vangen, dat vol stoere verhalen over zijn drumles, bij me in de auto kruipt.

“Wat zit je onder de sneeuw”, merkt hij ineens op. Om me vervolgens meewarig hoofdschuddend aan te kijken als ik zeg dat dat kwam door het schrikken van een konijn.

Foto’s voor Mathijs

Hij lacht als ik me afzet en we samen bijna een koprol achterover maken. “Loslaten, dan komt het goed”. Ik trek een wenkbrauw op. Loslaten? Ja, dat doe ik even, want daar ben ik zó goed in. Uh huh. Aan de andere kant, als ik het ergens kan, dan wel hier. Dus als hij even later achter me gaat zitten en langzaam achterover rolt, rol ik zowaar gezellig en zonder tegensputteren mee, tot ik volledig gestrekt achterover hang, met blije spieren, die na hun verwaarlozing – ik heb al veel te lang niet meer op mijn yoga mat gestaan, maar ja, mijn bed is zo zalig warm en erbuiten is het zo heel erg koud – luidkeels genieten van het stretchen.

Ik maak foto’s voor en van Mathijs, voor zijn (shiatsu) praktijk. Bij binnenkomst maak ik in mijn hoofd een klein enthousiast huppeltje – of misschien wel in het echt. Zo nu en dan zie ik aan de grijns van de mensen om me heen (of het uitlachen of toelachen is laten we maar even in het midden) dat zo’n gevoel zich naar buiten heeft gewerkt en tot mijn lichte schrik heeft geleid tot een kleuter-blij sprongetje in werkelijkheid – als ik de lichtval zie in de ruimte waar ik straks los kan gaan met mijn camera. Overal rondom zijn grote ramen van grond tot plafond waardoor zacht zonlicht, slechts een weinig getemperd door de hoge bomen buiten, die, ondanks het gebrek aan bladeren in deze vrieskou, toch nog imposant genoeg zijn om invloed te hebben, veelvuldig naar binnen stroomt. Prachtig.

Ik leerde Mathijs een tijdje geleden kennen – was het een paar jaar geleden? Ik weet het eigenlijk niet eens precies meer – op een paar feestjes in een huis van een vriend waar ik nog niet eerder was geweest. Het was er vrij donker, op een tafel in het midden stonden flessen wijn in verschillende stadia van leegte en een vrolijk assortiment aan glaasjes en schaaltjes met nootjes of iets dergelijks, mensen zaten op kussens, op stoelen, op de grond, of op de bank die zo diep was, dat ik als ik met mijn rug tegen de leuning zat met mijn voeten in de lucht bengelde, waardoor ik me net een kind voelde dat zo stil mogelijk bleef zitten bij een feestje van de grote mensen, in de hoop niet opgemerkt te worden, zodat ze niet naar bed zou worden gestuurd.

Dat ik er bijna niemand kende gaf niets, want de andere mensen waren zo kleurrijk en zo geanimeerd in gesprek dat ik me uitstekend vermaakte met het voornamelijk rustigjes kijken naar wat er allemaal gebeurde. In de tussentijd aaide ik af en toe de dichtbij geslopen kat, die enigszins onvoorspelbaar overkwam, dus dat deed ik heel voorzichtig. Mathijs was er ook, en wat er precies voor zorgde dat ik geïntrigeerd raakte weet ik niet eens meer, maar ergens na zo’n feestje stuurde ik hem een berichtje, met iets in de trant van “He, ik vind je leuk, zullen we eens een kop thee drinken?” Of zoiets. Met direct er achteraan een geschrokken “Oh, volgens mij klinkt dit alsof ik je wil versieren, maar dat is niet zo hoor!”

Hij moest er wel om lachen, geloof ik, en dat kopje thee kwam er gauw van. En nog een. En nog een. En vele liters thee later zijn we nu dus hier en zit ik, mijn benen opgetrokken, met mijn rug tegen de bank, of sluip ik op mijn sokken langs de ramen, af en toe even pauze nemend om gewoon even te genieten van de weldadige sfeer, en neem ik foto’s van hoe hij, met een ernstig kalm gezicht, opgaat in het masseren.

Het is altijd een uitdaging om datgene wat iemand echt eigen maakt op beeld te krijgen, een uitdaging die het fotograferen voor mij juist ook het leukste maakt, en eentje die ik dit keer nog extra sterk voel, omdat ik hem intussen zo goed ken, en zo lief vind, en omdat ik weet hoe mooi de foto’s dus zouden moeten kunnen worden.

Maar dat kan haast niet misgaan. Want doen wat je heel leuk vindt, met mensen die je heel leuk vindt, dat maakt toch wel een erg prettig optelsommetje.

Guitar Boy

Hij pakt zijn gitaar, onverstoord door de drukte om hem heen, het heen en weer lopen van zoekende mensen – want pubers zijn altijd wat kwijt -, de nog niet opgeruimde bordjes op tafel, of de theekopjes, of het half afgemaakte spelletje, zijn broertje dat op de kop op de bank hangt – nooit rechtop, want euh, geen idee eigenlijk waarom -, en begint rustigjes te tokkelen.

Hij leerde ‘Nothing Else Matters’ van Metallica spelen, omdat ik dat zo mooi vind. En op dit moment is hij een ander nummer aan het oefenen, waarvan hij zei “Dat ken jij vast niet, mam”, wat mijn ego krenkte, want dat liet me me heel oud en niet-modern voelen, maar om eerlijk te zijn ken ik het inderdaad niet, en ben ik nu alweer glad vergeten hoe het nummer ook alweer heette.

Ik zie de kalme concentratie op zijn gezicht, hoe zijn wenkbrauwen lichtjes fronsen bij een lastig akkoord, en zijn vingers, dansend op de snaren.

Mooi vind ik dat. Ik kan er uren naar kijken.

Winterse Klanken

Het is toch werkelijk even wennen, dat terug zijn in Nederland. Eerst een beetje aan de kou, want het past toch wel heel makkelijk en graag aan aan die zalige warmte, en dan blijkt ook dat het tijdsverschil, dat toch maar drie uurtjes was – dus waar hebben we het nou werkelijk over – nog niet zomaar uit het systeem te krijgen is.

Waardoor we meermalen met een groepje om half zes klaarwakker zijn, terwijl iets in ons systeem blijkbaar wacht op de zangerige stem die ons zacht dwingend oproept tot gebed.

Maar de Nederlandse stemmen klinken harder dan de verre Omaanse, en voor we het weten zijn we weer volop in de dagelijkse activiteiten gezogen.

We vinden onszelf terug in gymzalen vol hockeyspelers, waar wedstrijdtafels bemand moeten worden en we juichen voor stoere acties, of stiekeme gelukjes. De accu van mijn auto blijkt er nu toch echt de brui aan te geven (de opleving was kort en hoopgevend, maar bleek al snel te eindigen) en we belanden tóch nog in Hollandse kerstsferen bij de nieuwjaarsreceptie van het orkest van de kinderen, met oliebollen, kerstlampjes, rode mutsen en glühwein.

Ze mag verteller zijn bij het startersorkest, en staat vol enthousiasme de muziekstukken aan elkaar te kletsen. “Ze is helemaal niet nerveus, he? Ze weet de hele zaal stil te krijgen.” Ik knik naar een andere ouder die dit tegen me zegt, en beken dat ze dit toch écht niet van mij heeft, want nog steeds als ik voor een groep moet staan kijk ik om me heen naar waar de dichtstbijzijnde vluchtroute is, en overweeg ik die alsnog te nemen.

Er worden liederen gezongen en cadeautjes uitgedeeld, en nu en dan kom ik een oude bekende tegen, nog van mijn tijd, jaren geleden, bij ditzelfde orkest, waarop steevast knuffels volgen, en waarbij ik me toch elke keer weer realiseer hoe bijzonder dit toch is, en hoezeer muziek verbinden kan, niet alleen op het moment zelf, maar tot in vele jaren later.

School begint weer, met lunch trommels in de ochtend, proefwerken en voorlichtingsavonden voor profielkeuzes, overhoringen en spelletjes in de avonden en kopjes thee op elk moment tussendoor. Ik kook Nederlandse stoofschotels, die uren pruttelen en het hele huis laten ruiken naar winterse knusheid.

In de avonden kruipen we onder een dekentje samen op de bank, kijken we naar ‘de slimste mens’ en vallen we omstebeurten op rare tijdstippen in slaap, omdat half zes wakker worden best vroeg was – dat moeten we echt gauw gaan afleren.

Dag Oman, Hallo Nederland

We hadden het al in het begin van de vakantie afgesproken: We zouden het hele strand afwandelen, tot de pier in de verte. Dus op deze laatste dag in het mooie Oman moet dat er nog wel even van komen.

Het is warm, zelfs zo vlak na het ontbijt, maar de zee verwelkomt ons met een rustgevend ruizen, en reigers en meeuwen klapwieken om ons heen.

Langs het strand staan enkele hotels, wat gelukkige huizen, met hun open ramen uitkijkend op de zee, en een zwaar bewapende Britse ambassade. In de verte zien we de rotsige bergen van Oman, gehuld in een nevel, maar zelfs van zover immer indrukwekkend. We moeten her en der springen over stroompjes en eenmaal flink waden door een beginnend riviertje dat zomaar het strand doormidden klieft, maar we komen tot de pier (waar we overigens niet op mogen, want hoe idyllisch het er in de verte ook uit mocht zien, van dichtbij blijkt het een soort aanlegsteiger voor een of ander bedrijf, dat met grote waarschuwingsborden aangeeft dat nog één stap verder nemen ten strengste verboden is. Dus dat doen we dan maar niet).

Op de terugweg wandelen we over paadjes dichter langs de huizen en hotels, en door zorgvuldig aangelegde parkjes, waar, zo stel ik me voor, dagelijks enorm veel aandacht wordt geschonken aan het bewateren van al die mooie bloemen en planten, die kleur geven aan het toch al paradijselijk geheel.

Na even bijkomen (anderhalf uur stevig doorstappen in deze warmte en volle zon vraagt toch even om wat grote glazen koud water, en een ditto douche) staat de rest van de dag in het teken van inpakken, nog even naar het strand voor een laatste dosis zomergevoel, wat spelletjes als afscheidsritueel, en dan is het toch echt zover.

Een laatste blik, een laatste zwaai naar wat toch echt zo heel erg als thuis is gaan voelen deze weken, wat laatste knuffels en dan nóg een paar, want wat hebben we het fijn gehad, en dan door de kleurrijke, levendige stad, op naar het vliegtuig, waarin we weg vliegen van dit mooie Oman, waar we allemaal een beetje ons hart aan verloren.

Vanuit het vliegveld in het vliegtuig, via de douane, waar ik nog een hokje in moet met een streng kijkende dame, die me druk fouilleert, en dan nog eens, want er piept maar steeds iets (blijkt een bh beugel te zijn, maar het is toch gek, want als ze zo druk gaan doen ga je je toch ergens afvragen of je niet tóch per ongeluk massavernietigingswapens in je sok hebt verstopt), en dan door de nacht terug naar Nederland.

Het is vroeg in de ochtend als we aankomen, en het miezert, wat ergens wel erg vrolijk Nederlands voelt, en thuis worden we opgewacht door tulpen en opa en oma, en natuurlijk de poezen, die van gekkigheid niet weten hoe ze ons allemaal tegelijk kunnen begroeten.

De rest van de dag staat in het teken van bijkletsen, orkest repetities, een auto met een accu die zich blijkbaar ook verwaarloosd voelt, want die ineens koppig weigert weer te werken (gelukkig zijn er wat behulpzame heren die me aan willen duwen, want ik voel me even erg hulpeloos, helemaal als ik zie hoe ze in de lach schieten bij mijn beschrijving van dat de auto nog wel ‘tik tik tik’ doet bij het omdraaien van de sleutel, maar geen ‘broem broem’ zoals hij hoort te doen, wat ik ook wel weer snap, maar het is de beste beschrijving die ik kan bedenken), oms ons heen kijken naar alles dat zo heel Nederlands is – wat een stuk minder exotisch is dan al het Omaanse, maar toch ook wel heel erg mooi -, lekker lezen onder een dekentje op de bank, en daarna zalig weer in het eigen bed, wat toch uiteindelijk wel het fijnste plekje op de wereld is.

We zijn weer thuis.

Wahiba Sands – deel 2

Ik word wakker in het pikkedonker. Even weet ik niet goed waar ik ben, maar dan realiseer ik me weer dat we in de woestijn in een tent liggen. De bedden slapen heerlijk trouwens, ik waande me zo in een luxe hotel. Als even later de wekker gaat, hoor ik aan de zachte uitrek en gaap geluiden dat ook de rest van het gezin langzaam wakker wordt.

Ik doe het kaarsje naast het bed aan en spoor de kinderen zachtjes aan. Even lijken ze dieper onder de dekens weg te willen kruipen, maar als ik zeg “kom, straks missen we de zonsopgang in de woestijn!” zijn ze binnen een mum van tijd hun bed uit en in de kleren.

Het is verrassend koud, zo voordat de zon er is om de woestijn te verwarmen, en alles is bedekt met een klein laagje dauw. Daar heb je direct ook een deel van het antwoord op jouw vraag, Sacha, over waar de Bedoeïenen hun water vandaan halen om zich te wassen en te koken: het blijkt dat ze precies weten op welke plekken ze kunnen graven naar water, op hun routes door het droge zand (sommige van die waterkuilen blijven bestaan en krijgen de naam van degene die hem gegraven heeft, ook voor de generaties erna), maar ook dat ze soms in de avond platte stenen in de woestijn neerleggen, waar ze in de vroege ochtend de druppels vanaf kunnen halen om te stoppen in hun zelfgemaakte leren waterzakken.

Maar voor ons, verwende westerlingen, is de dauw, die als een dekentje over het zand ligt, alleen maar een extra laagje mooiigheid, terwijl we, dicht tegen elkaar aan om een beetje warm te blijven, bovenop een hoge zandduin, kijken naar hoe de lucht van bijna zwart, naar diep donker oranje, naar alle tinten roze en rood gaat bij het opkomen van de zon. Had ik gisteren al gezegd dat het hier adembenemend mooi is? Ik raak een beetje door mijn superlatieven heen in dit magische land, vrees ik.

Een beetje rillerig en klam klauteren we terug naar het kamp (het is een goede workout overigens, dat rondwandelen door het mulle zand. Echt, je hele lijf werkt mee om je voort te kunnen ploegen), waar we nog even stiekem terug onder de dekens kruipen om op te warmen, maar dan al gauw naar het ontbijt gelokt worden, waar warme thee en koffie en een tafel vol lekkernijen op ons wacht.

De zon klimt rap door naar boven nu en algauw gaan de vesten weer uit en de schoenen, die we uiteraard hadden uitgetrokken voor het ontbijt op de mooie rode kleden van de Bedoeïenen, niet meer aan. Het is zo’n lekker gevoel, dat warme zand tussen je tenen.

Er wordt gespeeld, niet alleen door de kinderen, en honderduit gekletst, want wij willen van alles weten over de cultuur van onze gastheren, en zij vinden het enorm leuk om er van alles over te vertellen. En, uiteraard, want dat hoort er dan natuurlijk wel helemaal bij, moeten er ritjes gemaakt op kamelen. De truc daarbij, mocht je het nog nooit gedaan hebben maar wel overwegen, is ontspannen, zo ontdekte ik. Dan is het een heerlijk schommeltochtje en begrijp je ineens helemaal waarom zo’n kameel ‘het schip van de woestijn’ wordt genoemd.

(Wist je trouwens, toch nog een klein weetje, dat de Bedoeïenen meer dan 160 woorden hebben voor kamelen? )

Vroeg in de middag besluiten we terug te rijden naar de wat drukker bewoonde wereld. Weer door de duinen, al schuivend en glijdend, langs kamelen en nu en dan een verdwaalde ezel, tot er langzaam steeds meer struikjes en bomen opduiken en we uiteindelijk terecht komen in een soort dorp aan de rand van de woestijn.

Het is een aparte omgeving, deze plaatsjes zo langs de grens van al die droogte. Alles is stoffig en doet een tikje vervallen aan, al zie je er ook huizen tussen staan met duidelijk liefdevol geverfde muren en deuren, als kleine pareltjes tussen het grint.

We stoppen even om de banden weer wat op te pompen en wat boodschappen te kopen voor de picknick op de terugweg. Het doet een beetje aan als een spookstadje, zo stil en verlaten lijkt alles. Maar heel af en toe zien we mensen, een vrouw die met een tasje met boodschappen haastig door de stoffige vlakte loopt, wat mannen die ook wat inkopen doen bij de rommelig aandoende winkeltjes op een rij langs de hoofdweg, een eenzame fietser en een groepje in het wit geklede jongens, dat duidelijk loopt te dollen en de grootste pret heeft samen, her en der mensen aansprekend en grappen vertellend (maak ik op uit het harde lachen dat erop volgt), en dat hier wellicht onder de term ‘hanggroepjongeren’ zou worden geplaatst..

Bij die laatste gedachte moet ik even grinniken, waarop ze me wat verbaasd aankijken, om dan heel vrolijk terug te grijnzen. Echt, volgens mij heb ik nog niemand ontmoet hier in Oman die niet vriendelijk was.

Dan rijden we terug, door droge vlakten, langs al die stenen bergen, met hier en daar in de verte een groene oase, met wat huisjes, een dorp, of een enkele geitenschuur. Terug naar de stad, waar we het zand van ons afwassen, een potje klaverjassen, dan vroeg ons bed in duiken na het vroege opstaan, en de herinneringen aan weer een prachtig avontuur veilig en voor altijd opbergen in ons hart.

Wahiba Sands – deel 1

We rijden wederom met twee bakbeesten van auto’s door het prachtige landschap van Oman. Dit keer zijn we niet op weg naar groene oases en kabbelende watervalletjes, maar naar het zanderige van de woestijn – Wahiba Sands.

Ik hang de helft van de tijd uit het raam met mijn camera – dit levert nogal eens wat gemopper op, want dat zorgt zo voor wapperende haren en piepende oren achterin – om het landschap vast te leggen. Ik had nooit gedacht dat ik zo enthousiast zou reageren op allerlei schakeringen in steen en rots, maar dat is precies wat er gebeurt; na elke hoek zie ik weer een nieuw mooi uitzicht, dat echt móet worden vastgelegd. Ik kan er niets aan doen!

Een van de mooie dingen van Oman is dat er enorm veel ruimte is, en dat er dus – ik gok tenminste dat het daarmee te maken heeft dat we bij ons in Nederland zo precies zijn met paadjes en kaveltjes en parkeerplaatsjes enzo, ruimtegebrek – weinig gedoe is over wie waar wat doet in het verkeer. Wat betekent dat er zomaar langs de weg ineens iemand doodleuk op de vluchtstrook op een taxi kan gaan staan wachten, maar ook dat je, als je dan toch een four wheel drive auto onder je billen hebt, op een lukrake plek de weg af kan rijden, de bush bush in, om een schaduwrijk picknick plekje te vinden.

Dat we dan de pannen zijn vergeten en ontdekken dat het windscherm óók van staal is, en dus best dienst kan doen als ei-bak-plaat, maakt het eigenlijk alleen nog maar picknickeriger.

We hebben afgesproken bij een restaurantje aan de rand van de woestijn, van waaruit we een geleide zullen krijgen naar de plek waar we vanavond zullen overnachten. Het gaat hier allemaal wat op zijn janboerenfluitjes – er is duidelijk wat verwarring over wie we ook weer waren en wanneer we ook weer waarheen zouden worden gebracht – maar we wachten geduldig, de kinderen helemaal blij met een groot glas vers mango sap. Om ons heen wordt druk in het Arabisch gepraat door allemaal in het wit geklede mannen, die uit kleine kopjes drinken, waarvan we eerst denken dat het koffie is, maar waarvan even later blijkt na de eerste slok dat het mierzoete thee is.

Uiteindelijk worden we opgehaald, handen worden geschud, tussen de mannen dan, de vrouwen krijgen geen hand, en we rijden weg, in een colonne, over hobbelige vlaktes, langs los schrijdende kamelen (die wandelen niet, die schrijden) en huppelende geiten, en uiteindelijk over zandduinen hoog als bergen, met nu en dan een vervaarlijk schuiven onder onze banden, waardoor het voelt als een achtbaan, wat we stiekem allemaal maar wat lollig vinden, de woestijn in.

De zon begint al een beetje te zakken tegen de tijd dat we aankomen bij het kamp waar we gaan slapen. We worden hartelijk verwelkomd en een grote tent ingeleid, waar we, na het uittrekken van onze schoenen, op zachte kussens kunnen gaan zitten en thee en vruchtensap, Arabische lekkernijen en doekjes om ons op te frissen op ons wachten.

De kinderen zijn dan overigens allang verdwenen en de eerste de beste duin opgeklommen, om zichzelf en elkaar in te graven en naar beneden te rollen of glijden. Wie heeft er speelgoed nodig als je een oneindig grote zandbak tot je beschikking hebt?

De lucht kleurt steeds meer roze en rood, echt adembenemend mooi. Waar je ook kijkt, overal zie je zand en duinen, maar net als bij de rotsen en stenen in de rest van het land, zorgen ook hier de details dat je maar kan blijven staren. Het is net alsof er golfjes over de duinen lopen, of alsof iemand onderaan heeft geduwd en zo de bovenlaag allemaal rimpeltjes heeft gegeven. En dat alles nu in varianten van goud, geel, roze, rood en oranje.

Zo heel af en toe zie je in de verte een klein dapper struikje, dat tegen alle verwachtingen in stoer blijft groeien. Je zou er toch, zo op de eerste dag van het nieuwe jaar, gewoonweg geïnspireerd door raken.

We worden weer het kamp ingelokt door de geur van een vuurtje, en om de hoek van een groot scherm vinden we een gezellig ingerichte openluchtkamer, met veel kussens en kleden, lage tafels om aan te eten, dekens, voor als het wat frisser wordt en een grote ronde vuurplaats, waar even later pannen in zullen worden gezet voor het eten, en waar later op de avond Bedouins platbrood op zal worden gebakken (gecombineerd met veel jolig gegrap van de bakkers).

We spelen spelletjes, al liggend en zittend op de kleden, alvorens er een diner wordt geserveerd, met allerlei Omaanse gerechtjes. Ik neem me maar weer eens voor, zoals wel vaker, om meer te koken met recepten uit de Arabische keuken, want dat vind ik zó lekker.

Het is niet laat als we, het is intussen echt heel donker geworden, onze tent opzoeken. We slapen in een familietent, en je kan het eigenlijk niet echt kamperen noemen, want er staan gewoonweg riante bedden in, waar we prinsheerlijk op slapen kunnen. Maar voor we dat doen bewonderen we nog even de enorm heldere sterrenhemel, die, nu we hier niet worden gestoord door de lichten van de bewoonde wereld, in al haar glorie zichtbaar is.

Morgenochtend staan we heel vroeg op, om half zes, om de zonsopgang hier in de woestijn mee te maken. Dus de wekker is gezet, en we kruipen onder de, lichtjes naar wierook ruikende, wol. Vlak voor ik in slaap val lig ik nog even te genieten van de stilte om ons heen. Typisch, hoe gewend we zijn aan alle ruis in de bewoonde wereld, zelfs ’s nachts. Hoezeer dat altijd op de achtergrond aanwezig is, merk je pas als het er niet is.

Ik draai me genietend om. Ik weet zeker dat ik hier heerlijk ga slapen.

Dag 2018

Deze laatste dag van het jaar doen we het rustig aan. Dat is maar goed ook, want dan kunnen we ons eens goed bezinnen op alle goede voornemens. Of doen we daar niet aan? We zijn er nog niet helemaal uit.

Ik moet zeggen dat ik in ieder geval redelijk zen wordt van het gewekt worden door de zangerige stem die zijn oproep tot gebed door de straten galmt. Je zou denken dat je er kriegel van zou kunnen worden, elke ochtend om half zes op die manier wakker worden, maar het heeft toch gewoon iets. Al zal het wellicht helpen dat ik niet uit bed spring en me naar een moskee hoef te haasten, maar glimlachend kan luisteren, het even kan laten bezinken, om me dan nog eens rustigjes om te kunnen draaien in bed.

We hebben eigenlijk maar één vaststaand plan voor vandaag, en dat is dat er oliebollen moeten worden gebakken. Duh. Je bent Nederlander of je bent het niet. De mannen nemen deze taak onder hun hoede, en worden kritisch bij elke stap gevolgd door een horde kinderen, die niet kan wachten om zo’n oliebol te verschalken.

De geur is dus in ieder geval helemaal goed, als het gaat om het oud en nieuw gevoel.

De ochtend en begin van de middag zetten zich voort in een aaneenschakeling van huiselijke tafereeltjes. We doen boodschappen (waarbij ik stug mijn camera meeneem, maar steeds blijf vergeten hem te gebruiken), er wordt druk gespeeld door de kinderen (en soms een handjevol volwassenen), er wordt wat televisie gekeken en discussie gevoerd over het levensbesef van een mier.

En dan, als de middag zachter wordt en de eerste oliebollen zijn opgesmuld, wandelen we met z’n allen naar het strand in de buurt. Door de wijk, met al die statige huizen, die ik allemaal wel op de foto wil zetten, waar langs witte muren de bougainville uitbundig staat te roepen hoe mooi ze is.

Zo nu en dan ligt tussen al die woningen ineens een braak terrein. Dat lijkt heel normaal te zijn hier in Oman, ook bij wijken die er al jaren staan. We stellen ons voor hoe onderhandelingen zijn stukgelopen, iemand met een boos handgebaar stampend een vergaderzaal is uitgestoven, en zijn heil ergens anders heeft gezocht. Het stukje grond, ooit vol liefde uitgezocht en bedoeld voor een huis vol toekomstplannen, kaal achtergebleven, zonder nut.

Op het strand zien we grote groepen jonge mannen voetballen in de verte, en dichterbij wandelen rustig pratend volledig bedekte dames voorbij. Wat verderop zit een groepje mannen te kletsen, hun lijf in traditionele gewaden gehuld, maar met hun blote tenen woelend in het zand.

Daartussen ravotten de kinderen, wordt er gevliegerd en een moddergevecht gehouden, en gezwommen en gevoetbald tot de zon langzaam naar de horizon zakt, alles in een zacht gouden licht hullend.

De avond valt in Muscat. Morgen gaan we de woestijn in, dus dan zal het verslag even wat langer op zich laten wachten – weinig stroom op zo’n kameel.

En terwijl we hier, drie uur eerder dan in Nederland, ons voorbereiden op de jaarwisseling (we zijn heel benieuwd of hier vuurwerk is, dat weten we nog niet eens), wens ik jullie een heel fijn, gelukkig, avontuurlijk, reislustig (als je dat leuk vindt) en vooral liefdevol 2019!