Dag 2018

Deze laatste dag van het jaar doen we het rustig aan. Dat is maar goed ook, want dan kunnen we ons eens goed bezinnen op alle goede voornemens. Of doen we daar niet aan? We zijn er nog niet helemaal uit.

Ik moet zeggen dat ik in ieder geval redelijk zen wordt van het gewekt worden door de zangerige stem die zijn oproep tot gebed door de straten galmt. Je zou denken dat je er kriegel van zou kunnen worden, elke ochtend om half zes op die manier wakker worden, maar het heeft toch gewoon iets. Al zal het wellicht helpen dat ik niet uit bed spring en me naar een moskee hoef te haasten, maar glimlachend kan luisteren, het even kan laten bezinken, om me dan nog eens rustigjes om te kunnen draaien in bed.

We hebben eigenlijk maar één vaststaand plan voor vandaag, en dat is dat er oliebollen moeten worden gebakken. Duh. Je bent Nederlander of je bent het niet. De mannen nemen deze taak onder hun hoede, en worden kritisch bij elke stap gevolgd door een horde kinderen, die niet kan wachten om zo’n oliebol te verschalken.

De geur is dus in ieder geval helemaal goed, als het gaat om het oud en nieuw gevoel.

De ochtend en begin van de middag zetten zich voort in een aaneenschakeling van huiselijke tafereeltjes. We doen boodschappen (waarbij ik stug mijn camera meeneem, maar steeds blijf vergeten hem te gebruiken), er wordt druk gespeeld door de kinderen (en soms een handjevol volwassenen), er wordt wat televisie gekeken en discussie gevoerd over het levensbesef van een mier.

En dan, als de middag zachter wordt en de eerste oliebollen zijn opgesmuld, wandelen we met z’n allen naar het strand in de buurt. Door de wijk, met al die statige huizen, die ik allemaal wel op de foto wil zetten, waar langs witte muren de bougainville uitbundig staat te roepen hoe mooi ze is.

Zo nu en dan ligt tussen al die woningen ineens een braak terrein. Dat lijkt heel normaal te zijn hier in Oman, ook bij wijken die er al jaren staan. We stellen ons voor hoe onderhandelingen zijn stukgelopen, iemand met een boos handgebaar stampend een vergaderzaal is uitgestoven, en zijn heil ergens anders heeft gezocht. Het stukje grond, ooit vol liefde uitgezocht en bedoeld voor een huis vol toekomstplannen, kaal achtergebleven, zonder nut.

Op het strand zien we grote groepen jonge mannen voetballen in de verte, en dichterbij wandelen rustig pratend volledig bedekte dames voorbij. Wat verderop zit een groepje mannen te kletsen, hun lijf in traditionele gewaden gehuld, maar met hun blote tenen woelend in het zand.

Daartussen ravotten de kinderen, wordt er gevliegerd en een moddergevecht gehouden, en gezwommen en gevoetbald tot de zon langzaam naar de horizon zakt, alles in een zacht gouden licht hullend.

De avond valt in Muscat. Morgen gaan we de woestijn in, dus dan zal het verslag even wat langer op zich laten wachten – weinig stroom op zo’n kameel.

En terwijl we hier, drie uur eerder dan in Nederland, ons voorbereiden op de jaarwisseling (we zijn heel benieuwd of hier vuurwerk is, dat weten we nog niet eens), wens ik jullie een heel fijn, gelukkig, avontuurlijk, reislustig (als je dat leuk vindt) en vooral liefdevol 2019!

Kunststukjes

Zo leuk hoe er spontaan overal traditioneel geklede figuranten mijn foto’s in wandelen!

We staan in ‘het oude Muscat’. Ik ben elke keer weer verwonderd hoe we overal goed aankomen, want al begrijp ik heus wel dat het een kwestie van wennen is, het hele wegensysteem hier zorgt er elke keer weer voor dat ik me enigszins gedesoriënteerd bedenk dat ik met geen mogelijkheid meer kan bepalen waar ik ben. Onderweg zijn we weer ontelbaar veel prachtige gebouwen en uitzichten gepasseerd, waarbij ik me heel hard heb ingehouden om niet elke keer te smeken om een foto-stop, omdat ik me realiseer dat we dan nooit ergens zouden arriveren. Ik denk dat ik hier maandenlang elke dag non stop zou kunnen fotograferen en dan nóg niet uitgekeken zou zijn.

We wandelen langs het water, waar, even verderop in de haven, enorme schepen van de Sultan in de zon liggen te pronken. Daarachter wachten een paar cruiseschepen, flatgebouwen op water lijken het wel, en dichterbij voeren in het wit geklede mannen de meeuwen, die schreeuwend langs de kustlijn vliegen. In het lage water staat een visser, die rustig een net ophaalt. We kunnen net niet zien wat er in zit, maar het lijken donkere schelpen. Mosselen wellicht? Vlak naast hem glibbert de schaduw van een grote aal en even verderop spot Lucas een rondscharrelende krab.

Dan gaan we de souk in, waar ik me al een tijdje op verheug. In een eindeloos netwerk van steegjes en straatjes zijn allemaal kleine winkeltjes gevestigd, waar, in de dikke geur van wierook en specerijen, handelaars hun best doen de vele toeristen naar binnen te lokken. Dat toeristische maakt het overigens wel een stuk minder mysterieus en authentiek dan ik me had voorgesteld, maar ach, dat mag de pret niet drukken.

Het is grappig om eens doorheen te wandelen, en om te onderhandelen met de verkopers voor wat souvenirs voor de kinderen, lichtelijk onwennig, want het voelt tóch een beetje stom, maar net als ik me wat bezwaard voel over het afdingen, zie ik hoe dezelfde verkoper die even tevoren beweerde dat hij nu amper wat had verdiend aan zijn verkoop (met een dramatische uithaal die ervoor zorgt dat ik bijna begin te vrezen voor het avondeten voor zijn bloedjes van kinderen), met een grote glimlach zich omdraait, dus ik gok dat dat nog wel meevalt. En voel me acuut een enorme toerist.

We maken een tussenstop bij het Bait al Zubair museum, een privé project van de familie Zubair, waarbij hun oude familiehuis is omgetoverd tot een museum met een enorme collectie traditionele voorwerpen uit de geschiedenis van Oman. We bewonderen de postzegels, munten en foto’s, het nagebouwde traditionele hutje en de maquette van een heus dorp uit de vroegere tijd van Oman, en met Olivier sta ik een tijdlang te kijken naar de met zilver gedecoreerde wapens die meer voor de sier dan voor het schieten lijken, maar volgens de teksten erbij waren ze toch wel degelijk in gebruik.

“We gaan even lunchen bij Shangri La, dat is wel leuk”. Dat klinkt alsof we naar een restaurantje in de buurt gaan, maar we rijden de bergen in, omhoog via duizelingwekkend steile wegen, tussen bergwanden door, zo hoog en geel dat ik me af en toe een miertje voel dat is verdwaald in de duinen. En dan, voor ons gevoel in de middle of nowhere, duikt een resort op, met decadent gemarmerde paden met uitbundig bloeiende bloemen erlangs, parasolletjes op het strand erachter, klaterende aangelegde watervalletjes en een uitzicht op de zee, met daarachter die immer blauwe horizon, waar, we snoepen van een uitgebreid en heerlijk buffet. Wat een verwennerij.

Op de terugweg naar beneden, bij een uitzichtpunt zo duizelingwekkend hoog, dat we héél voorzichtig over het randje gluren en ons voornemen niet naar beneden te kukelen, stoppen we even voor een foto. En vooruit, ook even een gezamenlijk kiekje. Het zou toch wat zijn als ik helemaal zelf niet op de foto kom in dit mooie Oman.

“Kijk? Is dit mooi?” Ze draait een rondje. We zijn mooi aangekleed, de volwassenen én de oudste twee kinderen, voor een avondje opera. In The Royal Opera House van Muscat wordt vanavond door twee solisten en hun orkest een voorstelling neergezet waarbij vanuit meerdere bekende opera’s liederen worden gezonden. En wij gaan daar heerlijk van genieten.

Wauw. Ik kan niet anders zeggen. Wauw. The Royal Opera House is adembenemend mooi. Elk detail is afgewerkt, en alles ademt luxe en schoonheid. Ik doe een poging iets van al dat moois vast te leggen, maar moet eerlijk bekennen dat elke foto maar een zwakke weergave is van hoe mooi het in werkelijkheid is. Dit moet je echt in z’n geheel zien, om de sfeer te voelen, en je onder te dompelen in het gevoel.

De opera zelf is ook prachtig, en ik geniet des te meer als ik af en toe stiekem opzij kijk naar de stralende snoetjes van de kinderen, hoe ze met open mond luisteren naar de muziek, of lachen om de grollen van de zeer flamboyante zanger. Wat een belevenis weer. Voor hen, en voor ons.

Hij is tien jaar!

Nou waren we gisteren toch heus aan het bakken geslagen. Appeltaart moest het worden. Met een kruimellaag. Waarvoor we naar de supermarkt gingen…

-Daar moet ik toch tussendoor even wat over vertellen. Want dat is best even wennen, die Omaanse supermarkten. Niet alleen door de enorme groottes en het aantal mensen dat erin krioelt, maar ook door de vriendelijke hulpvaardigheid van de mensen die er werken. Wat natuurlijk altijd fijn is, maar ik blijf het toch lastig vinden wanneer boodschappen vanuit het karretje voor je op de band worden gelegd, en vervolgens keurig voor je ingepakt. Ik heb dan steeds de neiging om te zeggen “joh, doe niet zo gek. Heel lief van je hoor, maar dat kan ik toch écht zelf wel.” Want ik voel me dan bezwaard. Wat niet nodig is, schijnt, want het hoort hier gewoon bij het werk. Maar toch. Het blijft raar –

Hoe dan ook, we haalden de ingrediënten voor de taart, kneedden het deeg, wel met glutenvrij meel, en sneden naar hartenlust appels, om daarna het geheel in de oven te zetten. Waar hij vervolgens volledig zwart weer uitkwam. Een beetje een desillusie. Was het de oven, waarvan niet helemaal duidelijk was hoe hij werkte? Of toch het deeg? We wisten het niet.

In ieder geval is het resultaat dat het nog vrij vroeg is vanochtend wanneer we bij de bakker staan. En Olivier mag een taart uitzoeken, helemaal alleen. Want hij is tien geworden vandaag!!

Nou is tien jaar worden al bijzonder, maar tien jaar worden in Oman maakt het wel heel speciaal. Zeker als je zelf mag kiezen hoe je je dag invult, en dat er uiteindelijk voor zorgt dat je middenin de winter, voor het eerst op je verjaardag, in een heerlijk zonnetje kan ravotten in de zee.

Er worden meerdere zandkastelen gebouwd, mét grachten, en het zwemmen is zo fijn. Als we even rustig in het water dobberen horen we ineens een hele zwerm vogels met veel kabaal opvliegen, allemaal een andere kant op, en als we kijken waar al die drukte nou voor nodig is zien we een elegante arend over het water zweven. Even hangt hij bijna stil, om vervolgens een plotselinge snoekduik in het water te maken en er iets uit op te vissen, en daarna in alle rust weg te vliegen.

We picknicken met stokbrood in het zand en spelen een potje tennis. En als dan ineens een zacht briesje opsteekt, dat blijkbaar verder op zee wat heftiger is, want het neemt ineens steeds wildere en hogere golven met zich mee, is de pret helemaal compleet.

In de avond, als we het zand en zout weer van ons lijf gespoeld hebben en we rozig en warm zijn van de dag, gaan we, om helemaal in het feestgevoel te blijven, uit eten in Muscat.

Tijdens de rit naar het restaurant kijken we onze ogen weer uit. Niet alleen om het verkeer, – want goeie genade, wat een chaotische bedoening is dat op de weg. Overal schieten (voornamelijk grote en dure) auto’s vandaan, die zich, zonder knipperlicht of voorsorteren, laconiek in de meute storten. Ik heb maar besloten net te doen alsof ik het niet zie en me puur te richten op andere uitzichten, want anders zou het een stressvolle belevenis zijn – , maar vooral ook door de prachtige verlichting van alle imposante en statige gebouwen. Het is alsof ze naar elkaar roepen “zie je wel, dat ík de mooiste ben?!”

Aangekomen bij het restaurant kleurt de lucht oranjerood en terwijl ik nog even sta te kijken naar hoe groepen traditioneel geklede mensen samen eten op de terrassen, voel ik een klein handje in de mijne. Olivier kruipt tegen me aan, en als ik mijn armen om hem heen sla om hem heel stevig te knuffelen, hoor ik hem zacht zeggen “Wat een fijne dag was dit, mama.”

Mijn kleine man. Mijn jongste. De vrolijke, doldwaze, inventieve, verrassende. De stuiterbal met het zo heel kleine hartje. De lieve, knappe, zorgzame, bijdehante, grappige, verlegen deugniet.

Mijn Ollie. Tien jaar.

Wadi Al Arbaeen

We rijden door stoffige zandformaties en eindeloze zandvlaktes. Dat had ik anders wellicht saai vinden klinken, maar nu ik zie hoeveel verschillende kleuren en schakeringen in al die rotsen worden weergegeven, hoe elke meter weer een tikje anders is, en hoe het lijkt alsof ijverige schilders miljoenen jaren lang bezig zijn geweest om een prachtig patroon uit te tekenen, kijk ik ademloos om me heen.

Het rotslandschap lijkt zich eindeloos uit te strekken, met aan de horizon steeds hogere bergen. Nu en dan duiken er ineens geitjes op, die onverstoord de weg over sjokken, of even nadenkend blijven staan voor de wielen van onze auto. Het lijkt niet uit te maken wat we doen, de gedachte waardoor ze plots stil bleven staan moet blijkbaar worden afgemaakt, waarna ze weer rustig verder kuieren naar de weinige bruingroene bosjes, waar ze achter op hun poten tegen aan gaan staan om de zeldzame blaadjes die eraan zitten man te maken.

We rijden in een four wheel drive auto, iets dat geen overbodige luxe blijkt als de weg steeds onherbergzamer wordt, de wegen plots lijken te eindigen in steile afdalingen, of in bochten omhoog die ons duizelingwekkend scheef laten hangen (en uiteraard zijn juist dat de momenten waarop die geiten zo nodig filosofisch moeten gaan doen, vlak voor onze neus).

Maar dan opeens, vanuit het niets, zien we steeds meer groen voor ons verschijnen. Een beeldschone oase ligt middenin het onherbergzame rotslandschap, waar palmbomen staan rondom een meertje, gevormd door de rivier die hier doorheen loopt, en die op de meeste plekken is drooggevallen, maar hier toch genoeg water heeft verzameld voor deze prachtige plek, waar watervalletjes vrolijk klateren.

We springen over wat keien, niet altijd even succesvol, met als resultaat natte voeten, maar wat maakt het uit, dat droogt hier zo weer op. En we kijken, oh, wat kijken we onze ogen uit. Het is hier zó mooi.

We rijden nog een stukje verder, waarbij we nu en dan dwars door de toch best diepe rivier moeten en ik, ook al is de auto ervoor bedoeld, onbewust elke keer mijn voeten optil, omdat ik verwacht dat ze nat zullen worden.

Her en der tussen al die rotsen en zandvlakten vind je dan ineens een dorpje, gewoon een paar huizen schots en scheef tegen elkaar aangebouwd, waar we bij eentje, nieuwsgierig geworden, even doorheen wandelen. Wij blijken daar overigens niet de enige nieuwsgierigen, want al bij de eerste stappen zien we gezichtjes om deuren en ramen gluren, en worden we gevolgd door een groepje kinderen, met grote bruine vrolijke ogen.

Er wordt veel en vriendelijk gelachen en gegroet, maar ik krijg toch sterk de indruk dat ze ons maar vreemde vogels vinden, met onze belangstelling voor de smalle gangetjes in hun lief klein dorp.

Op het laatste stuk van onze route – we komen dit keer vooral ezels tegen trouwens – besluiten we een plek te zoeken om te lunchen. We vinden een heuse boom om ons picknick kleed onder uit te spreiden, en genieten van broodjes en gebakken eieren, terwijl de kinderen spelen met stenen in de zon.

Nou rest ons nog maar één ding: We hebben gehoord dat er ergens vlak in de buurt van waar we nu zijn een zogenaamde ‘sink hole’ is, waar, onderin een soort rond ravijn, heel diep, een watertje is waar in gezwommen kan worden. Dat is natuurlijk wel enorm aanlokkelijk, na al deze stoffigheid. Het duurde dan ook niet lang voordat, na aankomst, de kinderen in het water lagen (en vol bewondering en verwondering keken naar de mensen die van helemaal bovenop naar beneden sprongen. Doodeng!).

Morgen gaat er gesnorkeld worden, en worden er hopelijk dolfijnen gespot. Of de camera dan meegaat weet ik nog niet, zo in het water, maar het wordt ongetwijfeld een hele belevenis. Had ik al gezegd hoezeer ik me een geluksvogel voel?

Mooi Oman – dag 3

“Maar… hoe hebben ze het dan om die pilaren heen gekregen? Eroverheen getild?”

We staan in het midden van de gebedszaal van de grote moskee van Muscat. Om ons heen schitteren prachtige kroonluchters, en muren vol met gebedsteksten en de prachtigste mozaïeken zorgen ervoor dat we automatisch onze stem dempen, onder de indruk van alle luister.

Het vraagstuk dat ons bezighoudt is hoe ze het tapijt, een van de grootste ter wereld, en geweven uit één stuk, er nou precies in kregen. Lucas oppert dat ze er gaten in hadden vrijgelaten, om later om de pilaren te kunnen passen. Maar ja, hoe krijg je ze er dan omheen? Tillen? En dan ook maar even voor het gemak het dak wat omhoog takelen?

De suggestie dat het tapijt er eerst lag en daarna de rest gebouwd is lijkt ons ook wat onwaarschijnlijk. We grinniken even en zien het al helemaal voor ons; hoe een manneke paniekerig het tapijt probeert te beschermen, al foeterend op goed bedoelende bouwvakkers.

Het moet dus haast wel ter plekke geweven zijn, besluiten we, maar we vragen het toch na aan een voorbijlopende meneer die er traditioneel gekleed genoeg uit ziet om er wellicht verstand van te hebben. Dat heeft hij, en hij vertelt dat het tapijt inderdaad ín de moskee zelf door 700 Iraanse vrouwen is geweven. Dat is nog eens een huzarenstukje. We kijken met nog eens wat extra ontzag om ons heen.

Even later slenteren we door de rest van de gebouwen, door lange gemarmerde gangen, over smetteloos witte pleinen. Om ons heen klinkt het geroezemoes van andere toeristen, wat zenuwachtig hun sjaal om hun hoofd wat vaster schikkend, maar ik stel me voor hoe het hier is op andere momenten, wanneer de klanken van het gebed klinken, en de sfeer hier op slag heel anders wordt.

Ik voel me altijd wat verstillen op plekken als deze. De duidelijke liefde voor zo’n gebouw, en haar functie, de zorgvuldig onderhouden bloemperken, waarin kleurige bloemen nog feller lijken door alle witte statige muren om ze heen, het laat iets in me zachter en kalmer worden, en als ik alleen zou zijn zou ik rustigjes een hele tijd op een bankje kunnen zitten, alles in me opnemend, diep ademhalen en bewonderen.

Maar dat ligt vandaag niet helemaal in de planning. Er zijn van die vrolijke kindwezentjes bij ons, weet je, die nogal graag stuiteren en dol zijn. En laten ze daar nou in Oman een heel goede plek voor hebben…

Van stille plechtigheid naar een lawaaiig klimparadijs vol uitbundige kinderstemmen. Je zou haast denken dat het contrast niet groter kan. Al zit er zowaar een overeenkomst in, in het kader van vol overgave en enthousiasme en dergelijke, maar die filosofische bespiegelingen laat ik voor nu maar gewoon even aan me voorbijgaan.

Mooi Oman – dag 2

“Hij is scheef!” Even kijkt ze heel bedenkelijk. Ik zie zelfs even een pruillipje verschijnen. Maar dan besluit ze zichtbaar om het concept dan ook maar direct goed te omarmen; “Scheef is leuk!”

We maken een schots en scheve toren, zo hoog dat ze op haar teentjes moet staan om de laatste steentjes erop te leggen. We kijken er trots naar en zijn het met elkaar eens dat we er best zouden willen wonen. Of, nou ja, logeren dan. Want, zo merkt een van de jongens op, dat schots en scheef is best vrolijk en gezellig, maar niet heel praktisch. “Want hoe moet je bed dan staan?”

Ik stel een evenzo schots en scheef bed voor, maar dat is toch blijkbaar werkelijk te gortig. Dus we houden het op logeren.

Maar dat gezegd hebbende: het is eerste kerstdag! Dus daar hoort een zalig en gezellig ontbijtje bij, en cadeautjes onder de boom, voor ieder één. En net als alle andere jaren worden er mooie jurken aan- en stropdassen omgedaan, wordt meermaals de tafel gedekt voor heerlijke maaltijden, en rollen er regelmatig dobbelstenen en kaarten over tafel voor verschillende spelletjes.

Er worden kerstliedjes gespeeld op de piano, nieuw speelgoed wordt uitgeprobeerd, en, hoe kan het kersteriger (is dat een woord? Het zou er een moeten zijn), er worden gingerbread huisjes versierd. Uiteraard verdwijnt daarbij de helft van de decoraties in een paar gretige kleine mondjes, maar dat is natuurlijk ook waar ze zich het fijnste voelen. Elk zichzelf respecterend snoepje houdt er vast niet van om puur voor de sier op een dak geplakt te blijven zitten.

Al met al een best traditionele kerst dus…

Behalve dan misschien het afkoelen op het strand.

Wat nog een hele belevenis is trouwens, omdat we er, ondanks dat we keurig bedekt zijn, toch blijkbaar uitheems genoeg uitzien om uitgebreid gefotografeerd en gefilmd te worden door meerdere mensen. Als ik bij de derde persoon enigszins verbouwereerd mijn wenkbrauwen optrek en me iets terugtrek, kijkt ze smekend. “Just one?” Ze gebaart met haar camera. Ik haal mijn schouders maar op en laat het gebeuren. En vraag me ondertussen af of ik me nu meer filmster of rare aap voel.

Eenmaal terug in ons nu-even-Omaanse-thuis, na een heerlijk diner en daarna een ouderwets avondje film op de bank, bedenk ik me terugkijkend dat kerst in Oman, ondanks alle traditionele activiteiten, toch écht wel anders voelt, met al die zonneschijn, de korte broeken en de zee.

Anders. Maar wél heel leuk!

Mooi Oman – dag 1

Eigenlijk was het nog maar half vier in de ochtend natuurlijk. Voor onze Nederlandse begrippen dan, met het tijdsverschil van drie uur tussen daar en hier, en eigenlijk vond mijn lijf dat ook, want ik merkte dat iets in mij duidelijk kreunde dat het nog lang geen tijd was om wakker te worden, zeker na de reis gisteren.

Dat was me wat trouwens. Die reis. Er zijn wel eens mensen die zeggen dat ze het een hele opgaaf vinden om met kinderen te reizen, maar echt: het opstaan, zo héél héél vroeg in de ochtend, en dan met z’n allen in de auto gepropt zitten, wat eigenlijk niet past, maar het moet maar even, de laatste knuffels aan de katten, en dan slaperig op de weg kijken naar hoe de wereld wakker wordt. De verscheidenheid aan mensen op het vliegveld, met gekke of bijzondere kleding, de slapers op een bankje, de consternatie bij een plots oponthoud omdat een naam niet goed op een reisdocument staat (oeps), het samen oppassen op een koffer van een buitenlandse dame die gestrest nog even wat moet doen, het dan alsnog moeten rennen naar de gate om nog op tijd in het vliegtuig te kunnen gaan zitten. En daar dan het griezelige gevoel van opstijgen, de prachtige luchten en vergezichten, en oh, die zonsondergang aan de horizon, die de einder bloedrood kleurt, de rare kriebels in je buik en het harde slikken dat je moet doen bij het landen, in de hoop dat je oren open poppen en niet zo vervelend meer voelen en dan het enigszins gedesoriënteerd zijn bij het aankomen in een land waar het al laat in de avond is, terwijl je zelf nog vrolijk op rond-etenstijd-stand bent blijven hangen door het tijdsverschil.

Het is allemaal zó extra leuk als je het kan beleven door de ogen van kinderen. Ik had mijn camera meegenomen, maar heb geen foto geschoten en vooral rustigjes zitten genieten van die grote verwonderde ogen om me heen.

Maar goed, mocht vanochtend bij het ontwaken mijn lichaam het dus nog eigenlijk midden in de nacht vinden, de wereld buiten dacht daar geheel anders over. Want de vogels vlak naast het balkon kwetterden luid, en vol overgave, en de zon prikte plagend tussen de gordijnen door.

Er moest ontdekt worden, en bewonderd, en oh wat is er, alleen al op deze eerste dag, waarin we lichtjes brakjes nog in de buurt zijn gebleven, veel te bewonderen en ontdekken.

We wandelden tussen vele statige witgepleisterde huizen door, uitkomend bij het strand, waar de kinderen al proestend over golven sprongen, om uiteindelijk met kleding en al onder water te belanden. Er werd getennist, soms nog niet al te nauwkeurig, waardoor bijna een van de vele voorbij wandelende meneren in dishdasha werd geraakt, maar die kon er gelukkig vriendelijk om glimlachen.

Eenmaal terug deden we wat boodschappen, speelden spelletjes, genoten van de zoete warmte, en bouwden aan gingerbread huisjes. Maar dat is een verhaal op zichzelf dat misschien morgen wel volgt.

Want dan is het kerst. Kerst, samen in dit mooie Oman. Ik voel me wel een heel grote geluksvogel.

Het is vakantie!

Heel zacht hoor ik wat gestommel. Ik kan me niet voorstellen dat ik er wakker van ben geworden, maar wellicht dat het feit dat Bob de kat heeft besloten dat bovenop mijn billen een mooi plekje is om zich te installeren ervoor heeft gezorgd dat ik toch wat lichter sliep dan eerder. Als ik me omdraai, voorzichtig, om Bob niet van het bed af te katapulteren – wonderlijk hoe zorgvuldig we geneigd zijn te zijn met die katten, terwijl ze met een achteloze meedogenloosheid omgaan met ons mensen – zie ik dat er een lichtje brandt beneden, en hoor ik het spetteren van de douche.

Het is de ochtend van de kerstontbijtjes op de middelbare school. Dus hebben ze hun wekker extra vroeg gezet, wordt er gesneden, gerold en gebakken, en gaan ze, fris ruikend, gepoetst en gekamd – dat laatste iets dat nog helemaal niet zo vanzelfsprekend is voor bepaalde pubers – met warme schalen vol lekkers naar school. Ook weer door de stromende regen overigens, in het donker nog, op deze kortste dag van het jaar, maar in de auto schallen kerstliedjes uit de radio.

Ze hebben heerlijk gegeten, geloof ik, en er zijn spelletjes gespeeld en films gekeken. Maar heel veel heb ik er niet over gehoord. Want vanaf het moment dat ze hier weer binnen rollen, met diepe zuchten en een zwier van tassen naar een hoek, om daar voor twee weken te blijven, – of toch niet, omdat die tassen nog nodig zijn, maar dit keer niet voor school -, gaat alle aandacht maar naar één ding toe: het is vakantie!

En dat betekent dat er gepakt moet worden deze dagen, en nog meer gepakt, lijstjes worden afgestreept, en uiteraard hoort er ook een tripje naar de bieb bij, voor boeken, heel veel boeken, want zo een heerlijke stapel leesvoer hoort bij vakantie als .. als.. als lampjes bij kerst. (Ik wilde daar haast sneeuw zeggen, maar tot in hoeverre winterweer essentieel is voor kerst kan ik nu nog niet beoordelen. Dat laat ik weten wanneer we terug zijn van een kerstviering in zomerse sferen. Spannend!)

Helemaal kerst

In de ochtend ging hij schaatsen, om vervolgens de keuken in te duiken om het kerstdiner op school voor te bereiden. Hij zei dat hij niet zenuwachtig was, écht niet hoor!, maar hij danste en stuiterde wel nog wat meer dan anders, rondjes om de tafel, met af en toe een knuffel voor mij, omdat, gewoon, dat fijn voelt.

Er was op school van alles gepland, met als klapstuk een lichtjestocht door het park met allemaal lampionnetjes, en ik zat me al helemaal te verheugen op het maken van wat foto’s van dat ongetwijfeld prachtige tafereeltje.

Helaas vielen die plannen vrij letterlijk in het water, omdat het zó hard regende, dat het al een hele uitdaging was om alle heerlijke hapjes, waar zoveel kinderen, of hun moeders, hun best op hadden gedaan, onverdund door regenwater binnen de schoolmuren te krijgen. (En werkelijk, er zaten plaatjes bij. Ik kijk daar altijd vol bewondering naar, want ik neem me wel eens voor om me ook aan dat soort kunstwerkjes te wagen, maar moet eerlijk toegeven er meestal niet de moed voor op te kunnen brengen. Wat dan wel weer stom is eigenlijk, want als ik er wél een keer mee aan de slag ga, vind ik het – even ongeacht het resultaat, want dat wil wel eens wisselend zijn – wél heel leuk. Maar goed, dat terzijde).

In plaats van de lichtjestocht werden er, na een heerlijk en gezellig maaltje in de klas, liederen gezongen door de kinderen binnen in de school, in een zaal die, toen we net begonnen bij deze school, nog ruim alle mensen kon bevatten – en dan konden we nog een dansje doen ook -, maar waar we nu als sardientjes in een blikje op elkaar gepakt zaten. Niet dat dat de pret drukte hoor. Het blijft toch ontroerend om al die kinderstemmetjes de bekende kerstliedjes te horen zingen, dat past zo heel erg bij deze periode.

Buiten stond, bij een knappend vuurtje, een meneer prachtig te toeteren op een midwinterhoorn. Dan is het puur nog een kwestie van je ogen dichtdoen en de sneeuw erbij denken. Helemaal kerst.

De bruine dagen voor kerst

Sarah op de bank met haar telefoon

De dagen voelen wat apart en onsamenhangend deze periode; Met nog veel activiteiten en afspraken in deze laatste dagen voor het weekend (en voor ons reisje), van basketbaltoernooitjes tot kerstdiners tot lichtjestochten tot gala’s, het plannen van de laatste boodschappen en het maken van inpaklijsten en tussendoor nog her en der een overhoring voor Engels of Grieks, leven we samen enigszins van de hak op de tak. 

Toch, al lijkt kerst overal doorheen geweven te zijn, als een streng lichtjes die gewikkeld zit rond de bladeren van onze kamerplanten, voelt het nog niet helemaal alsof kerst eraan komt. Al zal dat vanavond wel komen, wanneer de kerstviering is op school. Op de een of andere manier voelt de combinatie van lichtjestochten en een meute kinderstemmetjes die kerstliederen zingt toch wel ultiem kersterig.

pluizebolletje

Eigenlijk had ik voor op mijn lijstje ook nog staan dat ik voor vertrek de tuin wilde aanpakken, want die is momenteel bedekt in een laagje van duizend tinten bruin. “Had al veel eerder moeten gebeuren”, bromt het kind in me dat is opgevoed door mijn ouders. Maar een ander, opstandig en wilder, deel van mij snuift eens en trekt een wenkbrauw op. “Dan had je dit soort dingen ook gemist. Want hoe mooi is dat pluizebolletje dat zo fier staat te zwaaien?” 

Zit ook wel weer wat in.